21-09-10

Alice en het reisverslag deel 2

Zondag:

 

Zondagmorgen heb ik mijn eerste ontmoeting met de schorpioentjes die hier overal leven. Eentje is er ’s nachts in de filter van het zwembad terecht gekomen en die moet ik toch wel aan een nader onderzoek onderwerpen.

Na het ontbijt zetten we koers naar Lourmarin, een volgens onze reisgids van de mooiste dorpen in de luberon en dat kan ik enkel bevestigen. Er zijn dan misschien geen grote bezienswaardigheden, maar de smalle kronkelende straatjes, de gezellige cafeetjes en het kasteel dat overal bovenuit torent zorgen ervoor dat het heerlijk wandelen is in het dorpje. Fab doggy vind vooral de vele fonteintjes leuk en drinkt zich een ongeluk op het kerkplein. Heerlijk verfrist doet hij dan ook een dutje als wij ons aperitiefje drinken op het dorpsplein en samen lachen om toeristen die echt toerist schreeuwen. (Als in Britten die vluchten voor de zon en tegen een paaltje lopen omdat ze te erg in hun reisgids kijken. Als in Amerikanen die voor elke vuilbak blijven staan en “How wonderful” roepen. Als in Japanners met grote lenzen en 5 fototoestellen om hun nek. En als in Zwitsers die een volledig muskietennet rond zich hadden als kledij.) M. duikt daarna zijn eerste cave binnen en komt niet veel later buiten met zijn eerste krat wijn. Fab Doggy en ik genieten ondertussen van de rust en de zon op het pleintje.

Daarna trekken we naar La Coste voor het middagmaal. Twee jaar geleden aten we hier ongelooflijk lekker en goedkoop (zoals bijna overal in het zuiden van frankrijk.) La Coste zelf is een klein dorpje dat vooral bekend is geworden door het verblijf van de Markies de Sade. Zijn kasteel torent dan ook boven het dorp uit. Het restaurantje blijkt nog steeds open te zijn en we nestelen ons op het terras dat een prachtig uitzicht biedt op het dal. Voor 12 euro eten we een bord met typische charcuterie uit de Provence, een tagliatelle met zeevruchten en besloten we de maaltijd met een heerlijke frambozentaart, erbij een lekker wijntje en onze dag kon niet meer stuk.

 

Maandag:

 

Maandag stond ons een lange autorit te wachtte naar Manosque. Manosque is een heel gezellig stadje met redelijk veel winkels, maar dan echte winkels, geen souvenirwinkels. Manosque is geen toeristische stad, want toeristen komen hier niet in grote massa’s. Jammer eigenlijk want ik vind de middeleeuwse binnenstad erg leuk en het is fijn wandelen in de schaduwrijke steegjes. Wat ons dan toch de lange autorit naar Manosque deed ondernemen? Twee zaken, enerzijds een molen die olijfolie produceert van ongelooflijk goede kwaliteit. Een tweetal jaar geleden bracht mama voor mij een fles mee en ik heb eigenlijk nog geen betere olijfolie gevonden sindsdien. Na een bezoek aan het stadje trekken we dus richting molen, alwaar ik een serieuze voorraad olijfolie insla. En dan op naar reden twee voor ons bezoek, namelijk de fabriek van L’occitane en provence. In België koop ik heel veel van hun producten, maar kennelijk waren deze in de fabriekwinkel een stuk goedkoper. Gewapend met een zak vol parfum handcrème en voetcreme stapte ik erg blij weer de auto in.

Onze volgende stop was het kleine stadje Banon, heel erg bekend voor zijn typische geitenkaas. Het dorpje stelde niet veel voor, maar we kwamen dan ook niet voor sightseeing. In een lokale boucherie aangeraden door onze trouwe trotter bestelde we enkele banonkaasjes en twee droge salami’s met Provençaalse kruiden, gewapend met een Frans brood hadden we voor ’s avonds een voortreffelijke maaltijd.

De commentaren zijn gesloten.